Sociale media

  • NL
Open the menu

Darfur, twee jaar oorlog en onverschilligheid


Al-Fasher, hoofdstad van de Soedanese staat Noord-Darfur. Sinds het begin van de burgeroorlog in Darfur in februari 2003 is de stad twee keer zo groot geworden. Het conflict waarin de Soedanese regering en haar aanverwante milities tegenover de rebellen van het Bevrijdingsleger van Soedan (ALS) en van de Beweging voor gelijkheid en rechtvaardigheid (MJE) staan, heeft al aan een aanzienlijk aantal mensen het leven gekost en meer dan een miljoen anderen op de vlucht doen slaan, voor het merendeel naar de grote steden. Al-Fasher, maar ook Kebkabyia en Seraf Umra: deze steden hebben een ware metamorfose ondergaan als gevolg van de toestroom van ontheemden. Tegen deze achtergrond van zware overbevolking ontbreekt het vaak aan drinkwater en sanitaire voorzieningen, zodat de gezondheidsomstandigheden uiterst precair worden.

Eén arts voor 100.000 mensen

“De gezondheidssituatie was vóór het conflict al erg slecht”, legt dokter Nathalie Civet, landverantwoordelijke van de Belgische afdeling van AZG in Darfur, uit. “De medische en vaccinale dekking is heel beperkt en er is momenteel maar gemiddeld één arts op 100.000 mensen.” Sinds april 2004 is de Belgische afdeling van AZG aanwezig in de staat Noord-Darfur om de personen te helpen die door het conflict werden getroffen. Een dertigtal hulpverleners en ongeveer 300 plaatselijke medewerkers zijn actief in vier medische projecten in Kebkabyia, Seraf Umra, Korma en de bergachtige streek van Jebel Si, waar de ontheemden hun toevlucht hebben gezocht. In Al-Fasher bevindt zich een logistieke en administratieve basis. Alle andere operationele secties van AZG zijn eveneens actief in andere delen van Darfur.
De teams van AZG in Noord-Darfur brengen gratis hulpverlening naar de ontheemden en de lokale bevolking, in de vorm van een ziekenhuis, poliklinieken en voorlichtingsactiviteiten ten behoeve van de bevolking. Zij verplegen de slachtoffers van gewelddaden, zieke mensen en kinderen die aan een ernstige of gematigde vorm van ondervoeding lijden. Andere medewerkers van AZG informeren de gemeenschappen en brengen de bevolking in contact met de gezondheidsdiensten. In totaal biedt AZG in Noord-Darfur hulp aan ongeveer 200.000 personen.

Vluchten naar Tsjaad

Negen buitenlanders– artsen, verpleegkundigen en logistieke medewerkers – en ongeveer 120 nationale medewerkers verlenen bijstand aan de inwoners van Darfur – die zoals de jongeren Leila en Mona die worden voorgesteld in het spel “Op kamp met AZG”- naar buurland Tsjaad zijn gevlucht. Sinds juli 2003 hebben deze vluchtelingen zich in tijdelijke onderkomens langs de grens met Soedan gevestigd. De Belgische sectie van AZG is aanwezig in het plaatsje Iriba, waar we belast zijn met de volledige organisatie van een ziekenhuis met een 60-tal bedden, en in de vluchtelingenkampen van Touloum en Iridimi, die in het totaal ongeveer 34.000 Soedanezen herbergen. De voornaamste problemen waarmee de vluchtelingen na hun aankomst geconfronteerd worden, zijn ondervoeding, aandoeningen van de ademhalingswegen en diarree. De teams van AZG bieden verzorging op medisch, nutritioneel en chirurgisch vlak. Ook de plaatselijke bevolking kan gratis van deze zorgen gebruik maken.

“Het zijn kinderen die sterven”

In slechte sanitaire omstandigheden is het risico op diarree of problemen met de luchtwegen groot. AZG doet daarom haar best om toegang tot drinkwater te garanderen en de hygiënische omstandigheden te verbeteren. Om mazelenepidemieën te voorkomen, hebben onze teams tussen september en november 2004 verscheidene vaccinatiecampagnes gevoerd in Kebkabyia, Seraf Umra en Jebel Si, waarbij zo’n 60.000 kinderen werden ingeënt. “Blijkbaar zijn de meeste ontheemde kinderen nooit tegen deze ziekte ingeënt”, constateert Nathalie Civet. “Deze kinderziekte kan dodelijk zijn wanneer ze ondervoede kinderen met een chronische aandoening treft. Vooral voor de allerkleinsten”.
Want ondanks de humanitaire hulp blijft de voedingssituatie alarmerend. Volgens de Verenigde Naties was ongeveer 22% van de kinderen jonger dan vijf jaar in 2004 ondervoed. Meerdere jaren van droogte en de opeenvolgende verplaatsingen van de bevolking hebben een toch al alarmerende situatie alleen nog maar erger gemaakt. “Op dit moment constateren wij een schrikwekkende voedingssituatie”, waarschuwt Nathalie Civet. “Maar hoe je het ook noemt, het zijn wel kinderen die sterven”. AZG verzorgt ondervoede kinderen vooral in haar voedingscentra en heeft onlangs nog een voedselprogramma ontwikkeld voor 8.000 kinderen jonger dan 5 jaar in de regio Jebel Si.
Diarree, infecties van de luchtwegen en malaria zijn de voornaamste doodsoorzaken bij de ontheemden. De verhoogde aanwezigheid van deze drie aandoeningen kan voor een groot deel worden verklaard door de afwezigheid van afdoende schuilplaatsen en rampzalige hygiënische omstandigheden (met inbegrip van de watervoorziening) in de ontheemdenkampen.

‘Groepjes’ ontheemden blijven bestaan

Door de onveiligheid die in deze regio heerst, is de ontheemde bevolking vaak niet in staat naar huis terug te keren. In heel wat regio’s werd nog geen enkele evaluatie uitgevoerd en er zijn nog steeds groepjes ontheemden die geen toegang hebben tot voedselhulp, vooral in de zones die door de rebellen worden gecontroleerd. Volgens Jérôme Oberreit, coördinator van de operaties van AZG-België in Soedan, “De ontheemde mensen zijn hier vaak niet zozeer gegroepeerd, maar eerder verspreid over meerdere plaatsen. AZG is vaak de enige organisatie die deze mensen helpt.”
Afgelopen zomer, anderhalf jaar na het begin van de gevechten, leek de crisis in Darfur eindelijk de aandacht van de media en de internationale gemeenschap te hebben gekregen. Een vluchtig moment in de schijnwerpers van het drukke mediaspel, waar elk evenement het vorige verdrukt. “Nu raakt Darfur weer in de vergetelheid, en dat terwijl er ter plekke niets is veranderd”, analyseert Jérôme Oberreit. “De ontheemde bevolking is nog altijd even afhankelijk van de humanitaire hulp, die de enige uitkomst is.”